Tagarchief: Sylvia van de Garde

Muze

in elke spiegel staat zij naakt en donker
zoals ze voor geen ander ooit verkoos
wenkbrauwen spottend hoog, vol flonker
ogen glashard haar borsten, woordeloos
de scherpe mond van onzalige gebeden
de handen sterk in hun gevouwen trots
en een geslacht zoals dat wordt gemeden:
verraderlijke, wierbegroeide rots
waarop ze staat – kronkelend haar vol klitten
als kroon op ’t werk van wie haar aan mij gaf

kijkt ze me aan en zal me eens bezitten
in schaamteloos liprood ontsloten graf

Bijna 8

nog niet zo lang geleden was ik er nog niet
en nu weet iedereen al hoe ik heet
maar ik ben nog niet gewend
aan schoenen aan mijn voeten en eten in mijn maag
– en dat ik dat kan schrijven en weer terug kan lezen
of misschien wel eens aan iemand voor

een vrouw noemt zich mijn moeder en een grote man
heeft mij in haar geplant maar daarvoor
was hun buik te vol,
hun arm te kort en hun oog ook
te zichtig – verder weg is steeds meer weg en ik ontsnap
steeds minder makkelijk aan hun wens dat ik blijf

maar soms – soms dwaal ik met mijn vriendje helemaal
tot aan de keer dat ik hem nog niet zag
en dan zie ik hem weer en lacht hij
mij zijn ogen in en dan ben ik gelukkig
nog heel lang
niet jarig