in elke spiegel staat zij naakt en donker
zoals ze voor geen ander ooit verkoos
wenkbrauwen spottend hoog, vol flonker
ogen glashard haar borsten, woordeloos
de scherpe mond van onzalige gebeden
de handen sterk in hun gevouwen trots
en een geslacht zoals dat wordt gemeden:
verraderlijke, wierbegroeide rots
waarop ze staat – kronkelend haar vol klitten
als kroon op ’t werk van wie haar aan mij gaf
kijkt ze me aan en zal me eens bezitten
in schaamteloos liprood ontsloten graf