Categoriearchief: Eigen werk

Muze

in elke spiegel staat zij naakt en donker
zoals ze voor geen ander ooit verkoos
wenkbrauwen spottend hoog, vol flonker
ogen glashard haar borsten, woordeloos
de scherpe mond van onzalige gebeden
de handen sterk in hun gevouwen trots
en een geslacht zoals dat wordt gemeden:
verraderlijke, wierbegroeide rots
waarop ze staat – kronkelend haar vol klitten
als kroon op ’t werk van wie haar aan mij gaf

kijkt ze me aan en zal me eens bezitten
in schaamteloos liprood ontsloten graf

Vier in de Poëziekrant gepubliceerde gedichten

De gedichten maken deel uit van de epische bundel Hij zij zee (afstudeerproject voor de Schrijversvakschool Amsterdam) over 
het vreemde dat ons aantrekt, weerspiegelt en beangstigt
en het vergeefse wonder van eenzame verwoording.
De wording werd  begeleid door resp. Henk van der Waal en Hans Dekkers.

Uit het beoordelingsrapport van René Huigen, Jos Verstegen en Hans Dekkers:
‘Sylvia van de Garde schrijft gecondenseerde poëzie, filosofisch, introspectief. Het geheel leest ook als een (spannend, maar beklemmend) liefdesverhaal waarvan je geleidelijk de ware toedracht gaat zien. De stijl is lyrisch, maar heeft tegelijk een epische kant vanwege het verhaal dat wordt verteld. […]
De liefde die in hij zij zee wordt beschreven is van meet af aan gedoemd. Nooit zullen de geliefden doordringen in het meest wezenlijke van de ander, het niet in woorden te vatten zelf. Dit is geen liefdespoëzie die in het teken staat van ontgrenzing en versmelting: de grenzen zijn onverbiddelijk. […]
In deze gedichten gaat het over wat verwoording doet met de meest fundamentele levenservaringen en de herinneringen. Het onzegbare, vreemde, onbenoembare, onvatbare wordt door de woorden/verwoording ontwricht, ontkend, tenietgedaan, onwezenlijk gemaakt. […]
[We] zijn […] onder de indruk van deze consequente en coherente bundel, die eigenlijk één lang gedicht is.’

    tekening van de auteur

door de bedding razen takken
halve bomen vol olijven stenen
naar de zee die zuigt en breekt
alsof een woede zich met haar verzadigt

zij zit op de kade

naast haar staart het dorp
naar het stuurloze scheepje
waarvan de visser – te laat
om behouden de steiger te halen –
het anker uitwierp
dat het nooit zal houden

vrouw moeder zuster janken in de wind
als sirenen zonder klippen
waarop deze schipper blind kan varen: hij ontsnapt hen
lijken ze te zingen, en dat hij schip noch vangst vrijwillig
zal verlaten

zij ziet de chaos in hun lijven
in de menigte in hem

die naar haar kijkt terwijl hij uit zijn kudde stapt
een anker grijpt een boot het strand af sleept
waarin hij staande naar de branding roeit
die hem koppig doorgang weigert en
weer teruggooit

keer

             ze wist niet dat hij zo ondraaglijk dichtbij kon komen

op keer

tot zijn gramschap hem
dwars door de golven aan het oog onttrekt

             en dat ze zo lang zonder had gekund

minuten later stuwt het water hem
weer in het zicht – het bootje tolt
op storm en stroom, walst
de roeier naar de einder

            dat ze niet weet of ze nog wil

ze ziet dat hij het vissersschip
toch entert en vervaarlijk overstapt

de vrouwen houden nu hun adem in

alleen de zee niet
ziedend wreekt ze, woedt
en voedt de wanhoop van het dorp
dat wat er op het schip gebeurt
maar niet kan duiden

opeens zit hij weer in de boot

pas als die uit zee het strand op wordt getrokken
zien ze als zijn buit op haar
de gevloerde visser

drie dagen houdt het noodweer aan
drie dagen houden de ankers

dan ligt het schip
in stralend licht
weer aan de pier

–––––––––––––––––––––––––––

weer gaat de zon niet onder

ze zinkt, zwelt, aarzelt boven de spiegelgladde zee
breekt door de horizon
en zweeft brandend maar geruisloos richting land

de wind luwt en een broeierige hitte
overstijgt de raven – verder niets rood
dan purper water achter haar

waarop ze langzaam nadert fel
en ongenaakbaar als is mijn eigenwaan
haar drijfveer

tot
een zwakke golfslag haar toch grijpt
en ze langzaam in de zee verdrinkt

onmiddellijk trekt de wind weer aan
strijken de raven neer slaat koelte toe

ik huiver terwijl ik in de schemer
terugloop naar het dorp

niet verontrust alleen
ontzet omdat de zon zich overgeeft
aan wetten die ze zo verschrikkelijk
kan schenden

–––––––––––––––––––––––

de hitte van een lege lucht schittert
op het wateroppervlak dat ondoordringbaar lijkt, hard
en geluidloos
ligt het eiland in het licht

en daarop ligt de vrouw
bewegingloos alsof ze slaapt
alsof haar strakgespannen huid haar voor dat licht heeft afgesloten, naakt
haast schaamteloos
verbergt een groene driehoek haar geslacht, begrenst die delta
de woestijn van haar ontblote lichaam
dat over de glooiing sporen van de wind vertoont – vlakbij:
roerloos water bergen
onder naast haar: stenen
in de hitte samentrekkend tot hun stoffelijkste vorm

zij ligt alleen

rond haar het dorp: gezinnen, paren, een stel jongeren, rumoerig
en klagerig lachend dat het heet is
veel te heet, rennend
over de brandende stenen naar de koele zee, rennend
langs de waterlijn, de vrouw, ze houden
hun schreeuw in als ze haar passeren – alsof ze ervan afzien
alsof haar stilte hen heeft overstemd
alsof zij absorbeert

dan gaat het spel weer verder en aangevuurd met lichte hoon
van hun gezellen, verkwikkend
sluit het water om hun enkels
om hun middel en
boven hun hoofden en dan
zijn ze stil

en zij zou dat kunnen horen, die op de stenen ligt
om de in het groen verborgen delta onder haar gesloten ogen

zij hoort
niets

ze hoort
ver voorbij de baai: achter de klippen
breekt zijn lach
door de geluidsgrens door de golven door de stilte
die de vrouw omgeeft en siddert
over haar woestijn alsof de wind zich terugtrekt
in zijn monding

traag en overstemd slechts door de hitte
spant zich in haar alles
als een snaar
daar op de gesloten stenen

tot de jubelende toon
op het schitterende ogenblik
zal breken in een even schitterend verdriet

––––––––––––––––––––––––

men vergelijkt haar ook wel met de vreemde vis
die als een gezonken zon aan de harpoen gespietst
in zee brak tot hij na drie nachten
wond en ademarm
op de hete stenen werd gelegd

men herinnert zich dat zij er doodstil naast zat
toen de schaduw van de speer over de schubben pijnlijk
langzaam naar het einde schoof en de wind
de rode kieuwbogen tot een stikkende papaver
verdichtte

vis was
vlees geworden

haar vervoering bracht hen
tot die gelijkenis, zeggen ze hoopvol

vlees was
vrouwelijk

tenslotte

herinnert men zich heel beslist dat het
zelfs door de vliegen werd versmaad en
tranig als de wind aan de zee
terug was gegeven

De teksten uit het dansstuk Asche*

Voor inhoud van het stuk en recensies: zie onder de teksten.

–––––––––––––

Spreek, zei hij
spreek
geef het beest maar een naam
en ik noemde hem  Adam
ik noemde hem  god
weet, ik bracht hem niet over
mijn lippen
de rode – de lijn van de tweespalt
die later gezaaid werd?
vanwaar
kwam dat zaad
of het zaaigoed – het kwaad
dat de schedel deed splijten?

god, hoe ik van hem hield
van zijn sprekende stilte
zijn ruimte voor niets
dan de dood

hij vergat

maar niet ik
ik herinner me
hem

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

das ist keine Träne
das ist eine Haut
das sind keine Schleier
das ist eine Braut

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Zij – zegt ze
zij die gek is – ik

ze zegt het is niet waar
het is al eeuwenlang een leugen
de wond, zegt ze – de wond zit in het hoofd
van ieder ander
en die spreekt

die spreekt voor zich

ze schreeuwt
waarom zij nimmer sprak
waarom ze steeds gelaten staarde
in dat ongebroken beeld
dat haar de spot dreef
als een lichaaam – als een lijk

OPHELIA

haar lippen trillen onder de tastende vingers
trillen met haar als ze traag de huiverende huid verlaten
en haar lichaam
trillend in de lauwe lucht voorbij de adem

ogen blikken onder de verwarde wimpers
golven van het meest vervuilde water
lopen over haar verbleekt gelaat

het licht van schimmels groen

rouw ik in mij
bouw ik een kruis op mijn
nog ongedolven graven

want alleen op mij
kan ik geen moord meer plegen
zegt ze
heeft ze dat gezegd?
ik zei je toch dat zij de spot gedreven heeft!

verdrijf, zegt ze
verdrijf haar

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Er könnte es sagen jezt
er sagt

men zegt dat hij haar daarna om een woord
gesmeekt heeft
om een ja-woord of desnoods een nee
een zin – onzin
dat hij haar heeft uitgescholden en gebeden
en haar lichaam als speelkaarten
door elkaar geschud en op de grond gesmeten

haar in tranen opgeraapt – gesmeekt, gebeden

sie blieb in der Stille
wie er
nie bei seinen Worten

hij ging
men zegt nadat zij hem verlaten had

es ist schon möglich
es wäre das meist Wahrscheinliche

ze was mooi

ich glaube nicht dass er das sagen würde

dat hij haar nimmer meer begeerde
dan zo
gescheurd – haar bloed
het onverklaarbaar vele bloed dat haar doordrenkte
dat hij gek werd
van begeerte

nein – verrückt
mann sollte sie fertig machen – ganz
– ganz liebevoll

angst
en een even grote lust naar wat die angst
had opgewekt

das hätten wir gesagt?

men zegt het
dat na het gebeuren hij niets meer in haar kon zien
niets meer noch minder
dan de dood
dat zij nooit meer dezelfde was, dat zij
niet meer veranderde

mann sollte vergessen
sie vergessen
die Umarmung
sie vergessen – diese ungefragt vom Himmel her
Gefallene

hij zou het kunnen zeggen
dat hij het vergeten moest

vergeten

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Vandaag is betaaldag, Jason
de gek speelt de gek en
de wereld draait om
haar as

de medusa
opent haar masker
het land scheurt het water
verdrinkt
en de spleet legt zich bloot
om de vrucht
de vernieling te geven –
het land scheurt de zee
slaat terug in haar
oorsprong de vorm van het alles
verandert
het aangezicht – mij
mij, Medea
voor eeuwig voor nu

vergeten was ik
en ik
vreet haar nu op
die mij droeg
die mij voordroeg
mij braakte
en baarde
die mij de verplichting oplegde
te zijn  – als geweest
als de hoer van de heren
de kleren als lokkende schijf
om mijn geest

om mijn geesten

gespleten ben ik
en geweten
van water het slijm
van de vissen, van lijken –
vergiftigd

de kleur van het zien

ik scheur
scheur het kleed van de schaamte
waarop hij mij spuwde
verkrachtte en spuwde
het werk van de vrouw
en de god in haar buik
in haar afgrond
verdronken
verzopen – het water der vruchten
te zout voor zijn oog

ach, verblind
is zijn geest en geweest
zijn zijn blikken
zijn tijd is gevoerd
met het slijm van mijn bekken
ik vreet met mijn handen
mijn tanden
zijn spraakloze
dode geslacht
want verachtte hij mij
mij
de zee van zijn oorsprong
en van zijn onwetendheid

kwijt
was ik mij
in zijn zinnen – zijn regels

ertussen
– intussen

terug naar het vormloze
lijf dat zich tussen mijn dijen
volbracht
en scheurde
en spleet
in de wellust der einder

het einde van bloeiende zonnen:
er bloeide maar één: ik
de zonloze zwarte

er woedde maar één: ik
de schaamvolle witte
leproze

er bloedde maar één
rood, steenrood
voor zijn blinde gelaat
en zijn wegebbend geestesoog
nog ongebroken
kent zelfs geen lid
dat op gaat
en open
en staat

zelfs geen val
dan het goud in het glas
met de wijn
van vergeten

ik
slechts
ik ben
de herinnering – ding
van het laatste
en allerlaatste ogenblik – ver
stikkend en vol
van vernietiging
ding
van dingloze
gewetensarm
hand
van de wet

en smet op het voorhoofd
der kennis

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

*een productie van Stichting Wahlverwandtschaft, 1989-1990; teksten gepubliceerd in kleine oplage bij de productie onder mijn ‘meisjesnaam’  Sylvia Teunissen**.
Choregrafie: Karin Stefani
Dansers/acteurs: Sabine Charles, Eva Sandberger, Peter Oosterveen

** https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Sylvia_Teunissen

Recensie uit het tijdschrift Dans, no. 4, december 1989.

‘Een uitstekende vorm van totaaltheater, goed opgezet en fraai uitgewerkt, is de kleine-zaalproductie “Asche”, een initiatief van Karin Stefani die tevens het geheel regisseerde.
Ondanks de macabere inhoud ademt het stuk een poëtische, haast serene sfeer, waaraan de schitterende, speciaal voor deze gelegenheid geschreven teksten van Sylvia Teunissen een niet geringe bijdrage leveren.
De drie vertolkers in “Asche”, Sabine Charles, Eva Sandberger en Peter Oosterveen, betoonden zich naast uiterst vakbekwame dansers ook redelijk over het voetlicht komende acteurs al bleef er nog wel iets te wensen over, met name op het terrein van uitspraak en dictie. Maar men kan nu eenmaal niet van alle markten thuis zijn en ik heb groot respect voor de wijze waarop zij hun personages gedurende de hele voorstelling gestalte wisten te geven zonder ook maar een moment de spanning te laten verflauwen.
Het stuk gaat over drie mensen, twee vrouwen en een man, die samen moeten zien verder te leven na een alles en iedereen vernietigende oorlog of natuurramp. Het besef dat zij als enige overlevenden letterlijk vanaf het nulpunt opnieuw moeten beginnen in een wereld zonder perspectief, werpt een irreëel licht op de zin van hun bestaan. Bijna vanzelfsprekend grijpen ze terug naar traditionele waarden en rolpatronen uit hun vroegere leven, wat in dit geval uitmondt in een driehoeksverhouding. Een van de twee vrouwen (Sabine Charles) boekt daarbij aanvankelijk succes bij de man, maar gaat uiteindelijk jammerlijk ten onder. Haar klagende monoloog aan het einde van de voorstelling is van een aangrijpende schoonheid.
Andere hoogtepunten zijn de perfect synchroon uitgevoerde unisono dansdelen, de scène met de giechelende en flirtende vrouwen in hun kanten baljurken, de aan touwen zwaaiende stenen met de rammelige achtergrondmuziek die de illusie van totale destructie nog verhevigen, de hardhandige afwijzing van de ene vrouw door de man, en als laatste de wijze waarop Eva Sandberger de haar door Sabine Charles aangegeven dichtregels herinterpreteert en intoneert.
“Asche” is een productie van de Stichting Wahlverwandtschaft. Het stuk is nog te zien op 2 en 3 februari in Theater Frascati in Amsterdam.
Ada Monnickendam.’

Uit het Eindhovens Dagblad, 17 februari 1990 door Marianne Tolenaar.
‘Links op het toneel staat een soort klaagmuur. Twee enorme keien hangen aan touwen te bungelen en roepen iets op van gevaar; je kunt dodelijk geraakt worden. In dit decor spelen twee vrouwen en een man een primitief erotisch spel van machtswellust en slachtofferschap; de vrouwen slonzig en kwetsbaar, maar sexy; de man rigide en koud, maar met vlagen fel en wreed. In de moderne-dansvoorstelling “Asche” is de Duitse choreografe Karin Stefani gefascineerd door de thema’s mythologie en destructie. De choreografie speelt zich af na een oorlog of een ramp in een grote stad, met een paar mensen zonder toekomst of reden om te streven. Eigenlijk hadden ze ook moeten sterven. De poëzie van Sylvia Teunissen die af en toe uit de mond rolt van een van de dansers, tekent een sfeer van oeverloze ellende. Doffe teneergeslagenheid is hier gevat in de meest glanzende taal […] De grote kunst is het dan om in beweging net zo’n indringend beeld te schetsen maar dan met een even aantrekkelijke bewegingstaal.
In de felle man/vrouw-confrontaties slaagt het drietal daar wel degelijk in. Goed geplaatst technisch werk met een emotioneel lading. Vaak echter zijn de lieflijke, jeugdige gestaltes en de gekozen expressiemiddelen niet toereikend om het kwaad en de hopeloosheid tot in de kern bloot te leggen. Ook het mythologische element blijft hangen in de tekst […] en het suggestieve decor. De bewegingssymbolieken blijven echter een beetje “aan de buitenkant” en ook wat al te voor de hand liggend.
Deze voorstelling is vanavond nog te zien in hetzelfde theater.’

Bijna 8

nog niet zo lang geleden was ik er nog niet
en nu weet iedereen al hoe ik heet
maar ik ben nog niet gewend
aan schoenen aan mijn voeten en eten in mijn maag
– en dat ik dat kan schrijven en weer terug kan lezen
of misschien wel eens aan iemand voor

een vrouw noemt zich mijn moeder en een grote man
heeft mij in haar geplant maar daarvoor
was hun buik te vol,
hun arm te kort en hun oog ook
te zichtig – verder weg is steeds meer weg en ik ontsnap
steeds minder makkelijk aan hun wens dat ik blijf

maar soms – soms dwaal ik met mijn vriendje helemaal
tot aan de keer dat ik hem nog niet zag
en dan zie ik hem weer en lacht hij
mij zijn ogen in en dan ben ik gelukkig
nog heel lang
niet jarig