Categoriearchief: Eigen werk

De vier in de Poëziekrant gepubliceerde gedichten

De gedichten maken deel uit van de epische bundel Hij zij zee over het vreemde
dat ons aantrekt en weerspiegelt, en de vergeefsheid van een eiland.
De wording werd  begeleid door resp. Henk van der Waal en Hans Dekkers.


Tekening van de auteur

 

men vergelijkt haar ook wel met de vreemde vis
die als een gezonken zon aan de harpoen gespietst
in zee brak tot hij na drie nachten
wond en ademarm
op de hete stenen werd gelegd

men herinnert zich dat zij er doodstil naast zat
toen de schaduw van de speer over de schubben pijnlijk
langzaam naar het einde schoof en de wind
de rode kieuwbogen tot een stikkende papaver
verdichtte

vis was
vlees geworden

haar vervoering bracht hen
tot die gelijkenis, zeggen ze hoopvol

vlees was
vrouwelijk

tenslotte

herinnert men zich heel beslist dat het
zelfs door de vliegen werd versmaad en
tranig als de wind aan de zee
terug was gegeven

–––––––––––––––––––––––

door de bedding razen takken
halve bomen vol olijven stenen
naar de zee die zuigt en breekt
alsof een woede zich met haar verzadigt

zij zit op de kade

naast haar staart het dorp
naar het stuurloze scheepje
waarvan de visser – te laat
om behouden de steiger te halen –
het anker uitwierp
dat het nooit zal houden

vrouw moeder zuster janken in de wind
als sirenen zonder klippen
waarop deze schipper blind kan varen: hij ontsnapt hen
lijken ze te zingen, en dat hij schip noch vangst vrijwillig
zal verlaten

zij ziet de chaos in hun lijven
in de menigte in hem

die naar haar kijkt terwijl hij uit zijn kudde stapt
een anker grijpt een boot het strand af sleept
waarin hij staande naar de branding roeit
die hem koppig doorgang weigert en
weer teruggooit

keer

             ze wist niet dat hij zo ondraaglijk dichtbij kon komen

op keer

tot zijn gramschap hem
dwars door de golven aan het oog onttrekt

             en dat ze zo lang zonder had gekund

minuten later stuwt het water hem
weer in het zicht – het bootje tolt
op storm en stroom, walst
de roeier naar de einder

            dat ze niet weet of ze nog wel wil

ze ziet dat hij de vissersboot
toch entert en vervaarlijk overstapt

de vrouwen houden nu hun adem in

alleen de zee niet
ziedend wreekt ze, woedt
en voedt de wanhoop van het dorp
dat wat er op het schip gebeurt
maar niet kan duiden

dan zit hij weer in de roeiboot

pas als die eindelijk uit zee het strand op wordt getrokken
zien ze als zijn buit op haar
de gevloerde visser

drie dagen houdt het noodweer aan
drie dagen houden de ankers

dan ligt het schip
in stralend licht
weer aan de pier

––––––––––––––––––––––––––––––

weer gaat de zon niet onder

ze zinkt, zwelt, aarzelt boven de spiegelgladde zee
breekt door de horizon
en zweeft brandend maar geruisloos richting land

de wind luwt en een broeierige hitte
overstijgt de raven – verder niets rood
dan purper water achter haar

langzaam komt ze nader fel
en ongenaakbaar als is mijn eigenwaan
haar drijfveer

tot een zwakke golfslag
haar toch grijpt en ze langzaam
in de zee verdrinkt

onmiddellijk trekt de wind weer aan
strijken de raven neer slaat koelte toe

ik huiver terwijl ik in de schemer
terugloop naar het dorp

niet verontrust alleen
ontzet omdat de zon zich overgeeft
aan wetten die ze zo verschrikkelijk
kan schenden

–––––––––––––––––––––––––––

de hitte van een lege lucht schittert
op het wateroppervlak dat ondoordringbaar lijkt, hard
en geluidloos
ligt het eiland in het licht

en daarop ligt de vrouw
bewegingloos alsof ze slaapt
alsof haar strakgespannen huid haar voor dat licht heeft afgesloten, naakt
haast schaamteloos
verbergt een groene driehoek haar geslacht, begrenst die delta
de woestijn van haar ontblote lichaam
dat over de glooiing sporen van de wind vertoont; vlakbij:
roerloos water bergen
onder naast haar: stenen
in de hitte samentrekkend tot hun stoffelijkste vorm

zij ligt alleen

rond haar het dorp: gezinnen, paren, een stel jongeren, rumoerig
en klagerig lachend dat het heet is
veel te heet, rennend
over de brandende stenen naar de koele zee, rennend
langs de waterlijn, de vrouw, ze houden
hun schreeuw in als ze haar passeren – alsof ze ervan afzien
alsof haar stilte hen heeft overstemd
alsof zij absorbeert

dan gaat het spel weer verder en aangevuurd met lichte hoon
van hun gezellen, verkwikkend
sluit het water om hun enkels
om hun middel en
boven hun hoofden en dan
zijn ze stil

en zij zou dat kunnen horen, die op de stenen ligt
om de in het groen verborgen delta onder haar gesloten ogen

zij hoort
niets

ze hoort
ver voorbij de baai:
achter de klippen breekt zijn lach
door de geluidsgrens door de golven door de stilte
die de vrouw omgeeft en siddert
over haar woestijn alsof de wind zich terugtrekt
in zijn monding

traag en overstemd slechts door de hitte
spant zich in haar alles
als een snaar
daar op de gesloten stenen

tot de jubelende toon
op het schitterende ogenblik
zal breken in een even schitterend verdriet

–––––––––––––––––

De teksten uit het dansstuk Asche*

Spreek, zei hij
spreek
geef het beest maar een naam
en ik noemde hem – Adam
ik noemde hem – god
weet – ik bracht hem
niet over mijn lippen
de rode
de lijn van de tweespalt
– die later gezaaid werd?
vanwaar
kwam dat zaad
of het zaaigoed – het kwaad
dat de schedel deed splijten?

god, hoe ik van hem hield
van zijn sprekende stilte
zijn ruimte voor niets<
dan de dood

– hij vergat
maar niet ik
ik herinner me
hem

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

das ist keine Träne
das ist eine Haut
das sind keine Schleier
das ist eine Braut

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Zij – zegt ze
zij die gek is – ik

ze zegt het is niet waar
het is al eeuwenlang een leugen
de wond, zegt ze – de wond zit in het hoofd
van ieder ander
en die spreekt
die spreekt voor zich

ze schreeuwt
waarom zij nimmer sprak
waarom ze steeds gelaten staarde
in dat ongebroken beeld
dat haar de spot dreef
als een lichaaam – als een lijk

OPHELIA

haar lippen trillen onder de tastende vingers
trillen met haar als ze traag de huiverende huid verlaten
en haar lichaam
trillend in de lauwe lucht voorbij de adem

ogen blikken onder de verwarde wimpers
golven van het meest vervuilde water
lopen over haar verbleekt gelaat

het licht van schimmels groen

rouw ik in mij
bouw ik een kruis op mijn
nog ongedolven graven

want alleen op mij
kan ik geen moord meer plegen
zegt ze
heeft ze dat gezegd?
ik zei je toch dat zij de spot gedreven heeft?

verdrijf, zegt ze
verdrijf haar.

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Er könnte es sagen jezt
er sagt

men zegt dat hij haar daarna om een woord
gesmeekt heeft
om een ja-woord of desnoods een nee
een zin – onzin
dat hij haar heeft uitgescholden en gebeden
en haar lichaam als speelkaarten
door elkaar geschud en op de grond gesmeten

haar in tranen opgeraapt – gesmeekt, gebeden

Sie blieb in der Stille
wie er
nie bei seinen Worten

hij ging – men zegt nadat zij hem verlaten had

es ist schon möglich
es wäre das meist Wahrscheinliche

ze was mooi

ich glaube nicht dass er das sagen würde

dat hij haar nimmer meer begeerde
dan zo
dan gescheurd – haar bloed
het onverklaarbaar vele bloed dat haar doordrenkte
dat hij gek werd
van begeerte

nein – verrückt
mann sollte sie fertig machen – ganz
– ganz liebevoll

angst
en een even grote lust naar wat die angst
had opgewekt

das hätten wir gesagt?

men zegt het
dat na het gebeuren hij niets meer in haar kon zien
niets meer – noch minder
dan de dood
dat zij nooit meer dezelfde was, dat zij
niet meer veranderde

mann sollte vergessen
sie vergessen
die Umarmung
sie vergessen – diese ungefragt vom Himmel her
Gefallene

hij zou het kunnen zeggen
dat hij het vergeten moest

vergeten

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

Vandaag is betaaldag, Jason
de gek speelt de gek en
de wereld draait om
haar as

de medusa
opent haar masker
het land scheurt het water
verdrinkt
en de spleet legt zich bloot
om de vrucht
de vernieling te geven –
het land scheurt de zee
slaat terug in haar
oorsprong de vorm van het alles
verandert
het aangezicht – mij
Medea
voor eeuwig, voor nu
vergeten was ik
en ik
vreet haar nu op
die mij droeg
die mij voordroeg
mij braakte
en baarde
die mij de verplichting oplegde
te zijn als geweest
als de hoer van de heren
de kleren als lokkende schijf
om mijn geest

om mijn geesten

gespleten ben ik en geweten
van water het slijm en
van vissen, van lijken
vergiftigd
de kleur van het zien

ik scheur
scheur het kleed van de schaamte
waarop hij mij spuwde
verkrachtte en spuwde
het werk van de vrouw
en de god in haar buik
in haar afgrond
verdronken
verzopen – het water der vruchten
te zout voor zijn oog

ach, verblind
is zijn geest en geweest
zijn zijn blikken
zijn tijd is gevoerd
met het slijm van mijn bekken
ik vreet met mijn handen
mijn tanden
zijn spraakloze
dode geslacht
want verachtte hij mij
mij
de zee van zijn oorsprong
en van zijn onwetendheid

kwijt
was ik mij
in zijn zinnen – zijn regels

ertussen
– intussen

terug naar het vormloze
lijf – dat zich tussen mijn dijen
volbracht
en scheurde
en spleet
in de wellust der einder

het einde van bloeiende zonnen:
er bloeide maar één:
ik
de zonloze zwarte

er woedde maar één:
ik
de schaamvolle witte
leproze

er bloedde maar één
steenrood, rood
voor zijn blinde gelaat
en zijn wegebbend geestesoog
nog ongebroken
kent zelfs geen lid
dat op gaat
en open
en staat

zelfs geen val
dan het goud in het glas
met de wijn
van vergeten

ik
slechts
ik ben
de herinnering – ding
van het laatste
en allerlaatste ogenblik – ver
stikkend en vol
van vernietiging
ding
van dingloze
gewetensarm
hand
van de wet

en smet op het voorhoofd
der kennis

–––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––––

*een productie van Stichting Wahlverwandtschaft, 1989-1990; teksten gepubliceerd in kleine oplage bij de productie onder mijn ‘meisjesnaam’ Sylvia Teunissen**
Choregrafie: Karin Stefani
Dansers/acteurs: Sabine Charles, Eva Sandberger, Peter Oosterveen

**https://theaterencyclopedie.nl/wiki/Sylvia_Teunissen

Bijna 8

nog niet zo lang geleden was ik er nog niet
en nu weet iedereen al hoe ik heet
maar ik ben nog niet zo gewend
aan schoenen aan mijn voeten en eten in mijn maag
– en dat ik dat kan schrijven en weer terug kan lezen
of misschien wel eens aan iemand voor

een vrouw noemt zich mijn moeder en een grote man
heeft mij in haar geplant maar daarvoor
was hun buik te vol,
hun arm te kort en hun oog ook
te zichtig – verder weg is steeds meer weg en ik ontsnap
steeds minder makkelijk aan hun wens dat ik blijf

maar soms – soms dwaal ik met mijn vriendje helemaal
tot aan de keer dat ik hem nog niet zag
en dan zie ik hem weer en lacht hij
mij zijn ogen in en dan ben ik gelukkig
nog heel lang
niet jarig