Medusae

De wind stortte zich van de berg op het water en stuwde het de baai uit, de zee in. Het water verzette zich, stroomde terug, veroorzaakte draaiingen, chaos in zichzelf, verloor de controle en dreef weer af. Ik stond erboven en zag het spel de anders zo heldere zee verkleuren tot een melkachtig turkoois. De zon brandde in de verder lege hemel en sloeg haar stralen op de golven stuk, het was een schaterend spektakel van licht, lucht en water en hun onvermoeibare en onverschillige goden. Ik daalde af naar het strand.
Het seizoen liep ten einde, de toeristen waren naar huis. Ik kon maar niet besluiten de terugreis te aanvaarden, kon me thuis bijna niet meer voorstellen, kon me mezelf thuis niet voorstellen, maar diep vanbinnen was ik bang dat deze plek zonder mij zou verdampen als straks het zeewater op mijn huid. Ik hield van dit eiland als van mijn leven.
Als van hem die hier zou blijven.
Iets in mij kromp ineen met de stenen van het strand die zich in de hitte tot hun stoffelijkste vorm samentrokken. Ze gloeiden onder mijn voeten.
Ik kleedde me uit en liet het water zich boven me sluiten. Het was te troebel van zuurstof en wieren om veel te kunnen zien.

Ik zwom de baai uit. Dat ging veel sneller dan anders, met de wind in mijn rug – ik moest niet vergeten dat de terugtocht vermoeiend zou worden.
Als ik mijn hoofd op een bepaalde manier schuin hield, gierde de wind langs mijn oren als de opmaat van een symfonie. Voor me lag de eindeloze zee als haar blauwdruk, haar partituur, en ik ging als een klank in haar op.

Toen ik me omdraaide, spatte de wind het water in mijn gezicht. Nu lag de baai voor me. Met de granaatappelbomen links en de zoutbomen rechts, daartussen de nog droge rivierbedding en daarachter de bergen.
Ik begon aan de terugtocht.
Zwaarder. Niet alleen vanwege de wind maar vooral door het opspattende water. Ademen was lastig, ik moest mijn hoofd voortdurend draaien.

En toen pas zag ik ze.
De schok stopte ogenblikkelijk mijn vaart, en van schrik trok ik mijn ledematen zo dicht tegen me aan als maar mogelijk was zonder te zinken. Voor me, naast me en ook achter me – de baai was ermee bezaaid als een hemel bij nieuwe maan met sterren – dreven tientallen, nee honderden kwallen, net onder het wateroppervlak.
Wentelend, maar op hun kop. Ze hadden hun onderlichaam schuin naar boven gekanteld, de tentakels met hun harpoentjes reikten naar het licht, en cirkelden langzaam om hun as, allemaal met de klok mee, allemaal landwaarts gericht, als schotelantennes die iets opvingen of uitzonden: een boodschap ver aan de aarde voorbij. Hoe was het mogelijk dat ik tussen hen door was gezwommen zonder ze te zien? Zonder ze aan te raken?
En hoe moest ik dat laatste nog een keer doen nu ik niet recht voor me uit kon kijken?
Mijn angst verdween als ik naar ze keek. Hun sereniteit. Hun ongenaakbare ruimte. Hun absolute eigenheid binnen de groepsdans.
En hun overgave aan stroming en wind. Aan iets buiten hen. Aan zichzelf.

Heel langzaam, heel voorzichtig zwom ik tussen de wentelende zeezonnen door.
Geen van hen heeft me aangeraakt of, als ze dat wel deed, bezeerd.
Terwijl ik op het strand naar ze bleef kijken, verdampte het water op mijn huid.