Witregel voor een liefde

                                                                             voor E

Dat ik van jou ging houden
moest ik schrijven
maar
in mij heeft een vlerk de zin
gewist – meedogenloos
zoals een mes de tak snijdt van zijn vrucht,
een hand de zee splijt

Nu lig ik hier en daar en zwalk er als een zeemeermin op benen
tussendoor langs manshoge golven – zwart
van font en achterkant, wit
van schuim op lippen maar niets voegt zich tot een pagina
die ik kan vouwen tot een bootje

Aan reis naar land of bodem
komt geen eind, zingt het en
gene zijde brengt ons ook niets nieuws maar niets kan zomaar
omslaan in die stromen
Het heeft geen zwaard en breekt
met flanken water
waarna alleen verzanden overblijft:

een wrak dat wacht
op spoedig
o zo spoedig hoogtij